Foto's: A. van den Nieuwenhuizen
IDENTITEIT: orde: Ranuncullales; familie: Nymphaeaceae. | ||||||||||||||||||||||||||
EERSTBESCHRIJVING: In 1753, door C. Linnaeus, als Nymphaea lotus in Syst. plantarum. | ||||||||||||||||||||||||||
SYNONIEM: Nymphaea dentata | ||||||||||||||||||||||||||
NEDERLANDSE NAAM: Tijgerlotus | ||||||||||||||||||||||||||
MAXIMALE GROOTTE: Bladstelen kunnen tot 40-50cm lang worden in het aquarium, de bladeren tot 20cm in doorsnede | ||||||||||||||||||||||||||
Uitstekende aquariumplant Groei intomen Solitaitplant |
HOUDBAARHEID: Uitstekende aquariumplant, waaraan men, mits een minimum aan verzorging, vele jaren genoegen kan beleven (eigen exemplaar is nu 7 jaren oud). Omdat de plant een enorme omvang kan aannemen en een massa drijfbladeren vormen, dient men dit te onderdrukken door slechts 3 tot 5 bladeren toe te staan en de overtollige te verwijderen. Aldus wordt de plant verarmd en blijft aquariumafmetingen behouden. Ideaal voor contrastwerking qua kleur -en bladvorm. Toepassing: solitair als blikvanger. | |||||||||||||||||||||||||
|
| |||||||||||||||||||||||||
VERSPREIDING: Tropisch Afrika en Zuidoost-Azië | ||||||||||||||||||||||||||
![]() |
![]() | |||||||||||||||||||||||||
BIOTOOP: Langzaam tot snelstromende wateren | ||||||||||||||||||||||||||
BODEM: De groei is goed in aquariumgrint met korrelgrootte 2-3 mm. Wat klei onderin de bodem is gunstig, maar niet onmisbaar, vooral als men de plant eerder klein wenst te houden. | ||||||||||||||||||||||||||
Sterke belichting houdt de plant gedrongen |
BELICHTING: Een normale belichting (1 TL-buis per 10 cm te verlichten aquariumbreedte) kan volstaan, maar een sterkere belichting helpt om de bladstelen zo kort mogelijk te houden. | |||||||||||||||||||||||||
Vermeerdering door zaad is mogelijk Ook uitlopers |
VERMEERDERING: De 7-8 cm grote bloem kan zich in het aquarium ontwikkelen op voorwaarde dat de plant sterk belicht wordt (liefst een tijdje direct zonlicht) en dat men geen bladeren meer verwijdert. Pas bij ongeveer 10 drijfbladeren ontwikkelen zich bloemen, die enkel 's nachts opengaan. De meeldraden worden bruin aan de top ongeveer tijdens de derde openingsnacht: stuifmeel. Mits zelfbestuiving toe te passen ontstaan in de zich vormende vrucht kiemkrachtige zaden: bruin, eivormig, tussen 1 en 2mm groot. Men vangt ze op in een om de vrucht gebonden nylonkous. Uitzaaien in een apart bakje met lage waterstand, flink wat licht en bij 25-30°C. Bij sterke belichting vormt de plant ook korte uitlopers, waaraan jonge planten ontstaan. | |||||||||||||||||||||||||
Kleurvarianten groen en rood |
BIJZONDERHEDEN: De bloem verheft zich wel tot 20cm boven water, maar eens bevrucht opent ze zich niet meer, buigt zijwaarts en onttrekt de zich ontwikkelende vrucht onder water aan het zicht, ter voorkoming van vraat. Bij jonge uitlopers lijken de bladeren niet op die van een volwassen plant: eerst zijn ze langwerpig ovaal (cfr. de kiemplantjes), nadien pijlvormig en tenslotte nagenoeg rond. Er zijn twee kleunvarianten, al zijn er berichten dat de ene vorm in de andere zou over kunnen gaan, iets wat evenwel bij mijn (rood) exemplaar nooit gebeurde. De ene variant is groen met rode vlekken en zou voornamelijk in Afrika voorkomen, de andere is rood met groene vlekken. (bijgaande foto laat beide varianten zien) |