|
IDENTITEIT: orde: Cypriniformes; familie: Cyprinidae. |
|
EERSTBESCHRIJVING: in 1758, door Linnaeus, als Cyprinus rutilus, in Systema Naturae 10:324. |
|
SYNONIEM: zeer talrijke namen. |
|
NEDERLANDSE NAAM: blankvoorn. |
|
MAXIMALE GROOTTE: 35 cm. Bepaalde ondersoorten in Oost-Europa tot 50 cm. |
Paaiuitslag. |
GESLACHTSONDERSCHEID: man bezit langere borstvinnen en verkrijgt paaiuitslag op kop, flanken en de stralen van de borstvinnen. |
|
HOUDBAARHEID: zonder problemen bij voldoende voedselaanbod. |
|
|
Milieu |
Vijver |
Kweek |
Zuurtegraad pH |
|
|
|
Totale hardheid °DH |
|
|
|
Temperatuur °C |
5 - 20 |
|
10 |
Geleidbaarheid µS |
|
|
|
|
| VERSPREIDING: Eurazië zonder Spanje, Griekenland en Eïre. |
 |
 |
|
BIOTOOP: zacht tot licht brak door algen vertroebeld water. Komt voor in traag stromende rivieren of stilstaande waters. De troebelheid vormt een beschutting tegen predators. De waterkwaliteit is van weinig belang. |
Scholenvis. |
GEDRAG: vreedzaam. Zwemt in grote scholen in een beperkt gebied. 's Avonds en 's nachts tijdens de zomer veel aan de oppervlakte. Is actief vanaf 5°C. In voedselrijk water verdringen ze vrij vlug de baars (Perca fluviatilis) door het wegvangen van het zoöplankton, door de jonge blankvoorns, wat de jonge baarzen nodig hebben. |
Eten draadalgen. |
VOEDSEL: in het voorjaar vooral insecten, wormen en kleine schelp- en schaaldieren. Na de paaiperiode plantaardig voedsel met een uitgesproken voorkeur voor draadalg. Ook zachte waterplanten, blauwgroene algen, op het water vallende insecten en korrels worden opgenomen. |
Bastaarden. |
KWEEK: vanaf 10°C verschijnt de paaiuitslag bij de mannetjes en zoeken ze van april tot juni begroeide oevers op. De vrouwtjes komen iets later en maken veel geluid (plonzen) tijdens de eiafzetting. Per kilogram lichaamsgewicht worden 20 000 tot 250 000 kleverige eitjes afgezet. Andere vissen zoals brasem, kolblei en rietvoorn, plus de vele bastaarden, worden hierdoor aangelokt en paren ook. Door vermenging van de geslachtscellen van al deze nauw verwante vissen, komen er veel bastaarden voor. Afhankelijk van de watertemperatuur kippen de eitjes na 2 tot 5 dagen. De larfjes kleven zich vast en teren nog 2 à 5 dagen op de dooierzak. Ze meten nu 4 tot 6 mm en zijn totaal doorschijnend. Tijdens hun eerste jaar eten ze alleen zoöplankton. Tijdens het tweede jaar ook insectenlarven, weekdiertjes en plantendelen. Bij 30 mm lengte krijgen ze schubben. |
Groeien traag. |
BIJZONDERHEDEN: is zeer geschikt voor de vijver en het koudwater aquarium. Deze vissen zijn praktisch de enige echte algeneters. Blankvoorns worden dikwijls verward met de winde (Leuciscus idus) waardoor er heel wat verwarring ontstaat wat betreft lengte en gewichtsopgave. |